KAART - basisvaardigheden
Ken de verschillen tussen diverse kaarten.
Weet waar de verschillende kleuren en tekens voor staan. | STAFKAART
Er bestaan verschillende soorten kaarten; wandelkaarten, fietskaarten, autokaarten, zeekaarten, enz.
Wij gebruiken de stafkaart. | SCHAAL
De schaal van de kaart geeft aan hoeveel keer alles verkleind is.
Schaal 1:25.000 wil dus zeggen dat alles op de kaart 25.000 keer kleiner is dan in het echt.
1 Centimeter op de kaart is dan in werkelijkheid 25.000cm ofwel 250 meter.
| LEGENDA
Omdat op de kaart natuurlijk niet alles kan worden nagetekend, wordt gewerkt met tekens.
De verklaring van de tekens heet de legenda.
Als je de legenda van de kaart eens goed bekijkt, dan zie je hoeveel er wel niet allemaal op de kaart wordt aangegeven! | KLEUREN
Op de kaart wordt met veel verschillende kleuren gewerkt.
Wanneer je een beetje op de kleuren let, is het veel makkelijker om te zien waar je op de kaart bent.
Een donkergroen vlak is een bos, een lichtgroen vlak is een grasveld.
Sta je midden in een weiland en wil je weten waar dat op de kaart is, dan hoef je dus alvast niet bij de donkergroene gebieden te kijken. | HOOGTE- en DIEPTELIJNEN
Op de kaart zie je ook bruine kronkelige lijnen.
Die verbinden alle punten die op dezelfde hoogte liggen, meestal om de 5 of 10 meter.
Als er veel lijnen dicht bij elkaar staan dan betekent dat dat het daar erg steil is. | KAART OP HET NOORDEN LEGGEN
Als je wilt weten waar je je op de kaart bevindt, dan moet je eerst de kaart op het noorden leggen.
Leg je kompas langs een vertikale kaartlijn, richting de bovenkant (noordkant) van de kaart. Draai de kaart nu langzaam totdat de naald van je kompas tussen de twee witte streepjes staat. De situatie op de kaart komt nu overeen met de werkelijkheid om je heen. |