KAART - basisvaardigheden

Ken de verschillen tussen diverse kaarten. Weet waar de verschillende kleuren en tekens voor staan.

STAFKAART

Er bestaan verschillende soorten kaarten; wandelkaarten, fietskaarten, autokaarten, zeekaarten, enz. Wij gebruiken de stafkaart.

Een stafkaart is een topografische kaart. Dat wil zeggen dat het een verkleinde weergave van de werkelijkheid is. Alles staat er dus op.

SCHAAL

De schaal van de kaart geeft aan hoeveel keer alles verkleind is. Schaal 1:25.000 wil dus zeggen dat alles op de kaart 25.000 keer kleiner is dan in het echt. 1 Centimeter op de kaart is dan in werkelijkheid 25.000cm ofwel 250 meter.

Heel de wereld is ook verdeeld in vakken van 100km breed en 100km hoog. Zo'n honderd kilometer vierkant wordt aangeduid met twee letters. Ede ligt in het vak met de letters FT. Wanneer je een coördinaat opgeeft aan iemand in Groningen moet je daar dus FT voor zetten (FT82457030)

LEGENDA

Omdat op de kaart natuurlijk niet alles kan worden nagetekend, wordt gewerkt met tekens. De verklaring van de tekens heet de legenda. Als je de legenda van de kaart eens goed bekijkt, dan zie je hoeveel er wel niet allemaal op de kaart wordt aangegeven!

KLEUREN

Op de kaart wordt met veel verschillende kleuren gewerkt. Wanneer je een beetje op de kleuren let, is het veel makkelijker om te zien waar je op de kaart bent. Een donkergroen vlak is een bos, een lichtgroen vlak is een grasveld. Sta je midden in een weiland en wil je weten waar dat op de kaart is, dan hoef je dus alvast niet bij de donkergroene gebieden te kijken.

Zandwegen en bospaden zijn onverhard en worden met wit aangegeven. Gele wegen zijn wel verhard en de rode wegen zijn snelwegen.

Probeer als je een kaart voor je hebt, je altijd voor te stellen hoe het landschap er in de werkelijkheid uit zal zien. Hoe meer je op de kleuren en tekens let, des te sneller zul je de omgeving op de kaart herkennen. Je zult dan waarschijnlijk ook minder snel verdwalen.

HOOGTE- en DIEPTELIJNEN

Op de kaart zie je ook bruine kronkelige lijnen. Die verbinden alle punten die op dezelfde hoogte liggen, meestal om de 5 of 10 meter. Als er veel lijnen dicht bij elkaar staan dan betekent dat dat het daar erg steil is.

De hoogte en dieptegegevens worden opgegeven ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (N.A.P.)

KAART OP HET NOORDEN LEGGEN

Als je wilt weten waar je je op de kaart bevindt, dan moet je eerst de kaart op het noorden leggen. Leg je kompas langs een vertikale kaartlijn, richting de bovenkant (noordkant) van de kaart. Draai de kaart nu langzaam totdat de naald van je kompas tussen de twee witte streepjes staat. De situatie op de kaart komt nu overeen met de werkelijkheid om je heen.

Je kunt nu bijvoorbeeld de weg schieten waarop je loopt en dit op de kaart controleren! Dan weet je zeker dat je goed zit! Of doe een kruispeiling (kijk bij KOMPAS)